Login: Wachtwoord:
Het geheim van het Maatschappelijk Werk

Door Ruud van Horssen 25 juli 2008

 
Het geheim van het Maatschappelijk Werk
“Als een werker één boek verkiest als uitgangspunt voor de uitvoering van zijn beroep, dan is het werk eerder een religie dan een beroep”
 
Ruud van Horssen
0766864
  
[Wanneer een beroep zijn gezichtsverlies wil beperken trekt het zich terug tot de basis. Maar wat wanneer deze basis op een verkeerde fundering is gebaseerd? Wat is dan de toekomst van dit beroep? ]
 
Het geheim van het Maatschappelijk Werk.
Weet je nog, het begon allemaal zo’n 100 jaar geleden toen de eerste vormen van het maatschappelijk werk hun indruk wisten achter te laten op de maatschappij. Het begin van de twintigste eeuw, een onzekere tijd waar de vorming van het sociale zekerheidsstelsel nog in de kinderschoenen stond. Destijds brak er een nieuwe periode aan voor de hulpverlening. Uit de hoek van de progressief liberalen kwam een school ten behoeve van ‘mensen in nood’ en ‘sociale vraagstukken’ onder de naam ‘Opleidingsinrichting voor sociale arbeid’. Toentertijd werd ons werkveld al getoetst aan diens mogelijkheid om zich aan te passen aan de alsmaar veranderende maatschappij. Zo bracht de revolutie in het oosten van Europa en de opkomst van het Marxisme aldaar een mentaliteitsverandering teweeg ten opzichte van het woord socialisme. De titel van de opleiding werd zodoende destijds in de volksmond in verband gelegd met de opkomst van het communisme. Als gevolg hiervan maakte de school in 1902 een crisis door en was men genoodzaakt om de naam van de opleiding te veranderen om zo niet geassocieerd te worden met het communisme. De naam werd gewijzigd in ‘School voor Maatschappelijk Werk’, de geboorte van de term maatschappelijk werk. Voor het eerst in de moderne geschiedenis word er vorm gegeven aan een beroep dat zich concreet bezig zal gaan houden met het helpen van ‘mensen in nood’ en de ‘sociale vraagstukken’ van de maatschappij. De geboorte van de opleiding en het beroep is een feit. De basis was gelegd voor een beroep dat in staat zou zijn om te werken en groeien tot een echte professionaliteit. De directeur van de ‘School voor Maatschappelijk Werk’ in de jaren ‘30, Dhr. Moltzer, zag in zijn tijd al de noodzaak tot het hebben van een fundatie voor het maatschappelijk werk om te komen tot de ontwikkeling van de professionaliteit. Een noodzaak tot een fundatie, een manier van werken cq. methode, vanuit een theoretische achtergrond waaruit men professioneel kon werken. Wanneer er met de uit Amerika afkomstige methode van het social casework kennis werd gemaakt leek deze behoefte te kunnen worden vervuld. Social casework stond destijds op zichzelf als een methodiek die zijn fundatie vond in een theoretische ondergrond. Een methodiek die een gestandaardiseerd karakter kende en concreet voorschreef wat een hulpverlener kon doen bij bepaalde problemen van cliënten. De ontwikkeling van de professionaliteit van de maatschappelijk werkers kreeg een fundament, houvast met de komst van deze methodiek. Deze methodiek richtte zich op de sociale middenklasse, cliënten van een zeker intelligentieniveau die goed in staat waren om hun eigen zegje te doen. In theorie een concrete doelgroep maar al gauw bleek dit een te beperkte visie. Een beperking in de te bereiken doelgroep, en daarom ontwikkelde zich, afgeleid van de social casework methode, verschillende zijtakken aan methodieken namelijk: het out-reaching casework (voor cliënten die niet gemotiveerd waren voor hulpverlening en waarbij gesprekken alleen niet hielpen) en het correctional casework (waar gedwongen hulpverlening plaatsvond). Zonder de mogelijkheid en de motivatie van de professionals om de professionaliteit van het werk te vergroten waren deze innovaties niet mogelijk geweest.
 Het nalatenschap: het innovatievermogen van het maatschappelijk werk
Zo valt te lezen dat het innovatievermogen van het maatschappelijk werk haast geen grenzen kende. De professionals van toen hebben gebruik gemaakt van verschillende maatschappelijke invloeden en kennisbronnen, zowel nationaal als internationaal en deze op een innovatieve wijze gebruikt om de professionaliteit van hun eigen beroep te waarborgen. De professionals van toen wisten maar al te goed dat ze de ruimte moesten nemen om aan hun eigen professionaliteit te werken ten gunste van de beroepsontwikkeling. De genomen ruimte werd benut om methoden, theorieën en maatschappelijke ontwikkelingen bloot te stellen aan een stevige dosis professioneel kritisch reflectief vermogen. Ze wisten de hulpmiddelen die voor handen lagen toe te passen op cliëntsituaties en wisten hiervan te leren, dit kwam ten goede aan hun eigen professionaliteitbevordering maar ook aan de bevordering van de professionaliteit van het beroep. Door de tijd te nemen is men erin geslaagd om maatschappelijk werk als beroepsgroep een plek te geven binnen de maatschappij met een stevige theoretische fundering. Zodoende hebben de professionals van toen de eerste stenen gelegd voor het fundament van de beroepsgroep, het fundament dat wij nu profilering noemen.
 De kracht van het maatschappelijk werk
We zijn als individuele werker en als beroepgroep in staat om innovatief om te gaan met de dynamiek van de maatschappij versus onze theoretische basis. De kracht van het aanpassen van kennis en het toepassen van de gemaakte innovatie binnen een dynamische samenleving kenmerkt het maatschappelijk werk als geen ander. Dit is een kracht van de professional waar deze trots op mag zijn. Echter, ditzelfde innovatievermogen is ook een mogelijke valkuil. De valkuil dat er maatschappelijk werkers komen die niet meer gebruik maken van de mogelijkheid om te innoveren, de kracht niet meer benutten, maar denken zelf het ei van Columbus uit te hebben gevonden door af te willen wijken van de gestelde regels. Zo gebeurde het dat in de jaren ‘70 het werkveld in de valkuil van zijn eigen kracht trapte. De jaren ‘60 en ‘70 van de vorige eeuw stonden in het teken van een grote groei van welvaart voor de hele maatschappij. De toename in welvaart nam een mentaliteitsverandering met zich mee die bijvoorbeeld medeverantwoordelijk gehouden kan worden voor de ontzuiling van de maatschappij. De maatschappij van voor 1960 werd gekenmerkt door tradities en vastgestelde leefregels. Men wilde in de jaren die hierop volgden, gestimuleerd door de toenemende welvaart, hier los van komen. Het werd voor velen duidelijk dat door de gegroeide welvaart en de modernisering van de samenleving het voor ieder mogelijk werd zijn of haar eigen subjectieve groei een eigen invulling te geven en los te komen van de gestelde tradities en leefregels[1]. Velen kozen hier dan ook voor onder het credo van vrijheid. Dit was de introductie van het walkman- ego[2]. Er was maar één iemand waar je als individu naar moest luisteren als het aankwam op je eigen ontwikkeling en dat was jezelf. Kortom de samenleving veranderde, de clientèle van de maatschappelijk werkers veranderde en het maatschappelijk werk veranderde. Zo gingen de maatschappelijk werkers van toen ook op in deze maatschappelijke ontwikkeling. Als gevolg van deze maatschappelijke beweging versus de tradities maakte het maatschappelijk werk destijds als beroep een crisis door. Er ontstonden twee stromingen: één stroming die vast wist te houden aan de kracht van het innoverend werken op theoretische basis ten gunste van de eigen professionaliteit en de kennisbevordering van het werkveld, deze groep zal ik voortaan de theoretisch onderbouwde werkers noemen. De tweede stroming liet de nalatenschap los en begon intuïtief te werken met cliëntsituaties op gebrekkige theoretische basis, deze groep zal ik voortaan de intuïtieve werkers noemen. Kortom, een splitsing in het werkveld die volledig synchroon liep aan de maatschappelijke ontwikkelingen destijds.
Nu, 20 tot 30 jaar later, kent het werkveld nog altijd die tweedeling van toen. Het grote nadeel van deze tweedeling is dat de werkers die ervoor kozen zich los te maken van de discipline, van de kracht van het maatschappelijk werk, en intuïtief te werk zijn gegaan tot aan de jaren ‘90 verschillende theorieën en methoden afkomstig uit allerlei soorten bronnen hebben gebruikt om te werken met cliënten. Het resultaat was: verschillende visies van verschillende werkers ten behoeven van de cliënten zonder enige theoretische samenhang of fundament. Dit naast de werkers die theoretisch onderbouwend bleven werken. De beroepsvervaging was onvermijdelijk. Er zijn verschillende pogingen ondernomen om de tweedeling teniet te doen en tot een algehele profilering te komen.
 Ø  Verlangen naar professionaliteit en efficiency.
Het speerpunt van de jaren ‘90 was dan ook om de beroepsvervaging die was veroorzaakt door de tweedeling teniet te doen. Het beroep moest worden gerestaureerd om te kunnen overleven, de professionaliteit te redden. Het is echter nooit goed van de grond gekomen, de tweedeling in het werkveld bestaat anno 2008 nog altijd. Er bleven nog altijd werkers die werkten volgens hun intuïtie ten opzichte van de theoretisch onderbouwde werkers. Deze tweedeling staat gelijk aan een zwakke positie van het beroep. Zodoende was het beroep een gemakkelijk doelwit voor de invoering van het marktgericht werken en managementgerichte bedrijfsvoering. Opdrachtgevers hanteren uit commercieel oogpunt het principe van vraag een aanbod en spelen in op de verwachtingen van de cliënten, in hun ogen consumenten. Door de erfenis vanuit de jaren ‘60 en ‘70 zijn cliënten zelfstandiger geworden in wat ze verwachten van de hulpverlening en daar maakt het huidig marktgericht werken gebruik van. Zo zijn de opdrachtgevers bezig hun commerciële gedachtegoed op te dringen aan het werkveld, zich niet realiserend dat ze zichzelf in de vingers snijden. De kwaliteit van het maatschappelijk werk heeft te lijden onder deze regels die opgelegd worden door derden. Voor professionaliteitontwikkeling van de individuele werker is haast geen ruimte meer en de professionaliteitontwikkeling van het werkveld ligt ook zo goed als stil. De kracht van het maatschappelijk werk om innovatief om te gaan met de huidige maatschappelijke ontwikkelingen in combinatie met de bestaande kennis wordt niet meer benut. Zodoende snijden de opdrachtgevers zichzelf in de vingers, ze hebben te maken met een werkveld dat steeds minder professioneel genoemd kan worden. De schuld van de opdrachtgevers? Nee, zij handelen op de manier zoals zij denken dat het moet. De verantwoordelijkheid in dezen ligt eigenlijk bij meerdere partijen. Opdrachtgevers hebben hier een groot aandeel in maar ook de werkers zijn zelf verantwoordelijk voor deze ontwikkeling. Er bestaat zoiets als eigen verantwoordelijkheid voor iedere individuele werker ten opzichte van diens persoonlijke ontwikkeling van eigen professionaliteit en de verantwoordelijkheid naar de professionaliteitontwikkeling van het werkveld.
  Nu de geschiedkundige ontwikkelingen op een rij staan kan ik mijn bevindingen hieraan spiegelen. De tweedeling in het werkveld heeft anno 2008 naar mijns inziens een eindpunt bereikt. Uit door mij uitgevoerd onderzoek is gebleken dat er nog altijd, ondanks de bedreiging van de invoering van het marktgericht werken, binnen het huidige werkveld sprake is van twee verschillende soorten maatschappelijk werkers. Om het werkveld zijn identiteit terug te geven en de tweedeling teniet te doen zijn er in de afgelopen 11 jaar, naar mijns inziens, twee toonaangevende boeken geschreven.
 Het eerste boek is geschreven door Ad Snellen getiteld:  “Basismodel voor methodisch hulpverlenen in het maatschappelijk werk”. In dit boek profileert Ad Snellen het eclectisch integratief werken als manier waarop maatschappelijk werkers zouden moeten werken. De essentie van het boek wordt door Snellen uiteen gezet doormiddel van het ASPIRE model waarbinnen eclectisch integratief gewerkt kan worden. Het ASPIRE model kan lineair en cyclisch geïmplementeerd worden. De uitleg van het ASPIRE model ter verduidelijking:
 
AS
Assesment
Het verkrijgen cq. verzamelen, taxeren en analyseren van informatie.
P
Plan
Het opstellen van een plan van aanpak met betrokkenen.
I
Implement
Het uitvoeren van het gemaakte plan. Het monitoren van de uitvoering van het plan.
RE
Review & Evaluation
Tussen en eindbeoordeling van het verloop van het gemaakte plan, met daarop volgende acties.
 Binnen het ASPIRE model pleit Snellen voor een eclectisch integratieve werkwijze binnen het werken binnen cliëntsituaties. De eclectische benadering van werkwijzen is een weg vol met keuzen. De maatschappelijk werker beperkt zich niet tot één werkwijze cq. theorie maar kiest naargelang de cliëntsituatie vordert de best passende theorie, dit binnen de grenzen van het ASPIRE model. Dit ten bate van het sociale beïnvloedings- cq. sociaal leerproces van de cliënt, dat plaatsvindt tijdens de hulpverlening. Het belang van de interactie in dezen bepaalt in hoeverre de theoretische onderbouwing aansluit bij de cliëntsituatie. Binnen het proces van het vinden van de best aansluitende theoretische onderbouwing laat de maatschappelijk werker zich als professional leiden door zijn professionele, persoonlijke en maatschappelijke opvattingen. De fasering van het inzetten van een methodiek gebeurd volgens Snellen volgens de principes van doelgerichtheid en systematisch werken. Planmatig gezien is iedere cliënt onderheven aan de ASPIRE indeling en dient ieder aspect van de hulpverlening aan bod te komen. Het circulaire karakter van het hulpverlenen maakt het dat de gestelde doelen regelmatig opnieuw worden onderworpen aan discussie om te zien of de gestelde doelen gelijk staan aan het interventieplan.
 Het tweede boek is geschreven door Herman de Mönnink getiteld: “Gereedschapskist van de Maatschappelijk Werker”. Herman de Mönnink profileert in zijn boek de stresstheorie als de basistheorie van de maatschappelijk werk praktijk. De essentie van zijn stress theorie is het Multi methodisch maatschappelijk werk. Een model, bestaande uit één non-directieve methode die betrekking heeft op de interactie en negentien directieven methoden, waarin de maatschappelijk werker de analyse en behandeling van de problematiek van een cliënt toebedeeld aan stressproblemen. Volgens de Mönnink valt stress te definiëren als: geestelijke-, lichamelijke- en of sociale knelpunten of een combinatie hiervan die kunnen leiden tot onrust cq. stress bij een cliënt. Dit binnen de cliëntsituatie ‘de mens in zijn situatie’ waar de cliënt in interactie is met zijn omgeving. Met de PSST, de Psychosociale Stresstheorie, als uitgangspunt voor analyse en behandeling wordt het voor de maatschappelijk werker mogelijk om de problematiek van een cliënt als stressproblemen te categoriseren. Zo wordt de PSST neergezet als een multidimensionele theorie die de samenhang bevordert tussen de bestaande psychosociale theorieën. Om psychosociale problemen van een cliënt helder te krijgen gebruikt de Mönnink de analysedriehoek als ultiem analyse middel waaruit opgemaakt kan worden waar de meeste stressoren zich manifesteren. Problemen kunnen zich volgens de Mönnink manifesteren binnen de drie aspecten van de analysedriehoek: de draaglast, draagvlak en draagkracht. Ter verduidelijking komt de Mönnink met de term homeostase, het zoeken naar evenwicht. De theorie is dat wanneer de analysedriehoek in evenwicht is zich geen psychosociale problemen voordoen. Echter, wanneer er sprake is van enige onbalans (stress), binnen de analysedriehoek, dan zullen zich psychosociale problemen (overmatige stress) voordoen in één of meerdere uitgangspunten van de analysedriehoek. Het gaat er in de PSST om dat de cliëntsituatie zo concreet mogelijk neergezet wordt in de analysedriehoek en dat hieruit de stressoren duidelijk worden. Zo komt het gebruik van checklisten terug binnen de analysedriehoek om de stressoren in beeld te krijgen, te diagnosticeren, om zo het handelen hierop aan te passen. Concreet wordt er met behulp van de behandeldriehoek, op indicatie van de analysedriehoek, een behandelmethode geïndiceerd die de meeste aansluiting vindt met de cliëntsituatie die zijn interveniërende positie vindt op één van de drie interventieniveaus (individueel, systemisch en positioneel). Zo worden de stressoren aangepakt door de copingvaardigheden van de cliënt aan te spreken. Met de door de Mönnink geschetste manier van werken wordt er vorm gegeven aan het maatschappelijk werk als beroep door de werkwijzen te standaardiseren cq. uniformeren.
 Het strak vastleggen van werkwijzen kan naar mijn mening werken bij maatschappelijk werkers die vanuit hun intuïtie werken zonder enige notie van de noodzaak van theoretische onderbouwing. Deze werkers grijpen iedere trend aan om maar aan te kunnen tonen hoe ze werken. Deze werkers pakken segmenten uit de literatuur van de trend die voorheen Snellen heette en nu de Mönnink. Deze manier van omgaan met theorie komt niet ten goede aan de professionaliteit van de werker en ook niet aan de ontwikkeling van het beroep. Deze standaardisering cq. uniformering van de werkwijzen brengt met zich mee dat de werkers die uitgaan van hun intuïtie ergens voor kunnen staan, ze kunnen zich immers verschuilen achter gestelde regels. Ze vallen als werkers ergens onder te scharen en doen de beroepsontwikkeling niet nog meer schade toe. Volgens deze werksituatie moeten de werkers aan de hand van vooraf opgestelde checklist(en) de stressoren diagnosticeren vanuit het probleemverhaal van de cliënt. Aan de hand van de uitkomst van de analysedriehoek worden er stappen gezet richting een behandelmethode die specifiek gericht is op de cliëntsituatie. Op voorwaarde dat de cliënt concreet moet kunnen verwoorden waar de stress cq. spanning vandaan komt om een zo doelgericht mogelijk hulpverleningsplan op te stellen. Of de cliënt moet in staat zijn om antwoord te geven op de vragen van de maatschappelijk werker. Er wordt van de cliënt een direct gevoel van vertrouwen verwacht jegens de hulpverlening. In theorie een efficiënte manier van werken. In de praktijk wordt de professionaliteit van de maatschappelijk werker hier tekort gedaan. De professionaliteit wordt gereduceerd tot lijstjes en schema’s waar de ultieme oplossing zou liggen voor ieder probleem. De intuïtieve werkers zijn content met de manier waarop ze geschaard worden onder een vastgesteld kader en kunnen hier in principe prima binnen functioneren, maar ze beoefenen niet meer het werk van een maatschappelijk werker.
 Beide auteurs beweren de oplossing gevonden te hebben om de tweedeling teniet te doen. Echter, in plaats van dat ze komen met een plan van aanpak om de tweedeling teniet te doen versterken ze deze alleen maar. De auteurs bevechten elkaar in welke manier van werken het beste is voor het werkveld. Zo heeft Ad Snellen een artikel geschreven voor Maatwerk onder de titel “Gereedschapskist: een gereduceerde beroepspraktijk” en reageert Herman de Mönnink door zijn boek aan te willen vullen later dit jaar. Twee goede boeken geschreven door twee vooraanstaande auteurs die beiden hun doel missen en door hun eigen arrogantie te blind lijken te zijn voor het effect dat ze teweeg brengen in het werkveld. Om deze hypothese te toetsen en het werkveld op de proef te stellen ben ik overgegaan tot het, op een grote schaal, stellen van twee vragen aan het werkveld waarop inhoudelijk gereageerd kon worden. Dit om de huidige mentaliteit in het werkveld jegens de tweedeling en de manier van werken in beeld te krijgen. De vragen waren als volgt:
 1.   Is standaardiseren van methoden binnen de instelling waar je werkzaam bent wel mogelijk?
2.   Voedt de invoering van marktwerking in het werkveld de motivatie van maatschappelijk werkers om eclectisch om te kunnen blijven gaan met methoden?
 De vragen zijn door verschillende interactieve media op de computerschermen van meer dan 2500 mensen gekomen. Toch nam maar een handje vol mensen de moeite om te reageren. Het aantal inhoudelijk sterke reacties dat ik kreeg op deze twee vragen, of het gebrek hieraan, geeft naar mijn inziens een goed beeld van de mentaliteit en werkhouding van de overgrote meerderheid van het werkveld. Aan de reacties te lezen zijn dit de werkers die theoretisch onderbouwd werken. Uit de inhoudelijk sterke reacties was een enthousiasme te lezen en een trots om het beroep te mogen uitoefenen, maar toch ook een frustratie over de manier waarop het werkveld zichzelf weet te profileren. De inhoudelijk zwakkere reacties, zoals ‘ik heb de boeken niet gelezen’ of het gebrek aan reacties en/of het geluid dat de vragen te moeilijk waren geven eveneens een goed beeld van de manier waarop intuïtieve werkers reageren op vragen die betrekking hebben op hun eigen functioneren. Het feit dat de meeste maatschappelijk werkers uit het werkveld niet reageren komt naar alle waarschijnlijkheid door de werkdruk die ze ervaren. Ze hebben geen tijd om op mijn vraag in te gaan, hebben er geen zin in of snappen het simpelweg niet. Er zijn talloze redenen te bedenken maar één ding kan ik nu concluderen. De conclusie die ik hier weet te trekken is dat de maatschappelijk werkers zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen werkdruk. Doordat de invoering van de marktwerking binnen de standaardisering is en wordt toegelaten door de werkers wordt de druk om te presteren hoger. De werkers hebben dan niet meer de ruimte om te werken aan hun eigen professionaliteit en de ontwikkeling van het beroep en het belangrijkste; Er is geen tijd meer om de cliënt te laten leren tijdens het hulpverleningsproces. Het probleemoplossend vermogen vergroten van de cliënt is er niet meer bij in een gestandaardiseerde werkomgeving geconditioneerd door de commercie. Je bent als maatschappelijk werker veredeld tot, zoals Van Kooten en de Bie het wisten te verwoorden, regelneef. De werker lost op in plaats van dat er sprake is van groei bij de cliënt en de werkwijze van de werker. En als je dan ook nog eens een mail krijgt van een student die lastige vragen stelt dan heb je daar al helemaal geen tijd meer voor.

De (ideale) combinatie

Het is ondertussen wel duidelijk dat beide stromingen afzonderlijk niet sterk genoeg zijn om de beroepsvervaging teniet te doen, dat heeft de afgelopen 11 jaar aan ontwikkeling binnen het werkveld wel bewezen. Wat veel werkers zijn vergeten is de kracht van het maatschappelijk werk. Als maatschappelijk werker ben je als professional kundig genoeg om de combinatie van beide stromingen aan te kunnen, maar daar moet je voor durven kiezen. De keuze voor het accepteren van beide stromingen tot één heeft tot gevolg dat je als professional moet kunnen inzien dat de standaardisering van het maatschappelijk werk een goed initiatief is wanneer er uitgegaan wordt van een eclectisch karakter van het verdere hulpverleningstraject. Hier moet de maatschappelijk werker vrijheid eisen in zijn werkwijze en uitvoering van zijn professioneel handelen, met andere woorden eclecticisme. Het grijpen naar trends is zinloos en het proberen elkaar te overtuigen van welke werkwijze beter is doet het beroep meer schade aan dan dat het er rijker van wordt, en twee schrijvers die elkaar tegen denken te spreken helpt ook niet. Wanneer het maatschappelijk werk weer achter één werkwijze kan staan is de manier waarop de profilering vorm krijgt ook sterker gefundeerd en breder gedragen. Momenteel is deze omschrijving een ideaal beeld van wat er kan komen. De vrijheid van de maatschappelijk werker wordt de laatste jaren steeds meer ingeperkt. De standaardisering van de werkwijze valt ten prooi aan de marktwerking die langzaam word ingevoerd, standaardisering krijgt een schaduw. De vrijheid lijkt te verdwijnen wanneer de marktwerking zijn intreden doet van bovenaf, directie- en managementniveau. Wanneer de werker niet in staat blijkt zijn of haar eigen handelen te kunnen profileren naar directie- en managementniveau dan zal zijn of haar werkwijze worden bepaald volgens de regels van de marktwerking. De werker moet immers, om zijn eigen baan te kunnen blijven garanderen, voldoen aan de eisen van de werkgever. Als deze, vraagt om concrete cijfers volgens de gestelde regels, uit een commerciële visie, van gestandaardiseerde werkwijzen dan zal het voorkomen dat de werker op zoek zal gaan naar de cliënt die voldoet aan de eisen binnen het gestelde kader. Met andere woorden de cliënt die kans van slagen heeft binnen het gestandaardiseerde hulpverleningsproces. Het is inmiddels wel duidelijk dat het werk te lijden heeft onder de marktwerking en onder de “beperkte” professionele status van het beroep. Maar, wat kan hier concreet aan gedaan worden, of is het misschien al te laat? Laat ik dit zeggen, het is nooit te laat! De tijd van een verdeling in het werkveld van theoretisch onderbouwde werkers en intuïtieve werkers moet stoppen. Het achterna lopen van trends in de methodiekontwikkeling is niet nodig en is een vruchtloze vluchtpoging.
Het wordt tijd om het innovatievermogen van het maatschappelijk werk, onze kracht, wakker te maken in ieder van ons en deze kracht aan te spreken. Iedere werker moet gaan werken aan zijn of haar eigen professionaliteit en de kennisvergroting van het werkveld. Het achterna lopen van trends of het vasthouden aan werkwijzen moet vervangen worden door een kritisch reflectieve professionaliteits groei. Kennis uit het verleden moet worden omarmd en worden toegepast op de huidige maatschappelijke ontwikkelingen. Het maatschappelijk werk is een rijk beroep, een trots beroep en het wordt tijd dat we wakker worden en onszelf neer weten te zetten naar de buitenwereld voor de professionals die we echt zijn. Er moet gewerkt worden aan de ontwikkeling van de huidige professionaliteit met de kennis die voor handen ligt, om zo deze verder te ontwikkelen ten behoeven van de profilering van het werkveld. De kracht ligt in het samenbrengen van stromingen en het omarmen van en het herintegreren van de kennis die al bestaat om deze te vormen tot één profilering. Alleen zo kunnen we als werkveld onze status weer terugkrijgen binnen de maatschappij en zullen we de invoering van de marktwerking naar onze hand kunnen zetten.
 
Wat er volgens Ad Snellen nodig is om eigen professionaliteit en van het werkveld te kunnen ontwikkelen is kritische reflectie op eigen handelen. Het kritisch reflecteren op eigen handelen, zorgt er volgens Snellen voor dat er op drie invalshoeken een ontwikkeling plaatsvind.
 
Normatieve invalshoek
vanuit deze invalshoek stelt de maatschappelijk werker zichzelf de vraag wiens belangen gebaat zijn bij de huidige manier van handelen, binnen de huidige cliëntsituatie.
Instrumentele invalshoek
vanuit deze invalshoek stelt de maatschappelijk werker zichzelf de vraag of de huidige aanpak, van de cliëntsituatie, effectief is.
Persoonlijke invalshoek
vanuit deze invalshoek stelt de maatschappelijk werker zichzelf de vraag of hij / zij achter de manier van handelen kan staan.
 Wanneer een werker in staat is om met behulp van een goed ontwikkeld kritisch reflectief te kijken naar diens eigen functioneren als professional dan is er pas sprake van een innovatieve ontwikkeling binnen de eigen professionaliteit en een bijdrage aan de kennisontwikkeling van het werkveld, het aanspreken van de kracht. Eigenlijk wil ik iedere werker vragen om te kijken naar zijn of haar eigen functioneren binnen de instelling.
 
1
Wat heb je als werker feitelijk gedaan binnen de cliëntsituatie?
2
Aan welke theorie weet je deze handelwijze te koppelen?
3
Heeft de cliënt baat gehad bij deze manier van werken?
4
Voelt het voor jou als professional goed wat je gedaan hebt? Is er sprake geweest van groei bij de cliënt of bij jezelf als professional?
5
Waarom kies je voor deze methoden, theorieën en technieken? Kan het ook anders?
6
Kun je aan een andere discipline duidelijk maken wat je doet, werkwijze verdedigen?
 Nu je dit allemaal op schrift hebt staan en je begrijpt zelf waar je staat als professional kan ik je feliciteren, je bent een echte maatschappelijk werker. Het kritisch reflectief vermogen op eigen functioneren is één van de aspecten die onze beroepsgroep onderscheid van anderen. Je zult ook in je eigen antwoorden merken dat de basis waarop je hulp verleent eigenlijk deels gestandaardiseerd is maar eclectisch is qua inhoud. Wanneer je die link niet ziet binnen je werkwijze dan moet je jezelf als werker afvragen of nu werkt volgens de code van het maatschappelijk werk of volgens de richtlijnen van de organisatie waar je werkt en of je nog wel bezig bent als professional.
Hier ligt de kern van het maatschappelijk werk, de bewustwording. Als werker moet je binnen een organisatie de ruimte hebben, of maken, om de gestelde regels op te rekken of soms te negeren ten gunste van je cliënt en je eigen professionaliteitsontwikkeling. De maatschappelijk werker moet kunnen werken volgens de code en niet volgens regels van derden. Het werk van maatschappelijk werkers kan en mag nooit bepaald cq. gereguleerd worden door derden. Zeker nu de commercie en de marktwerking hun stempels proberen te drukken in het werkveld moet iedere maatschappelijk werker weten waar hij of zij voor staat. De alsmaar groeiende dominantie van de opdrachtgever doet de professionaliteit van het maatschappelijk werk niet ten goede. Gebruik je kritisch reflectief vermogen om terug te winnen wat het werk heeft verloren. Gebruik je innovatievermogen zoals ze dat al die jaren geleden ook al deden. Het begint bij de individuele werker die binnen zijn / haar organisatie zichzelf neer weet te zetten voor de professional die hij / zij is. Wie weet, wanneer iedereen tot verlichting komt, komen zelfs schrijvers als Herman de Monnink en Ad Snellen nog wel samen om één boek te schrijven. We hebben immers een rijk beroep en we zijn als professionals tot veel in staat mits we met onze neuzen allemaal dezelfde kant op staan, vertrouw op je innovatievermogen en koester dat.

Literatuurlijst:
Snellen
A.
Bussum : Coutinho, 2007
ISBN/ISSN/ISMN 9789046900352
Basismodel voor methodisch hulpverlenen in het maatschappelijk werk
Een eclectisch-integratieve aanpak
 
Mönnink
H.
Maarssen : Elsevier Gezondheidszorg, 2004
ISBN/ISSN/ISMN 9035226941 9789035226944
De gereedschapskist van de maatschappelijk werker
Handboek multimethodisch maatschappelijk werk
 
Behrend
E.
Bohn Stafleu Van Loghum, 1995
ISBN/ISSN/ISMN 9031318264
Handboek maatschappelijk werk
Ontwikkelingen in het beroep : studenteneditie
 
Kunneman
H.
Amsterdam : Boom, 1998
ISBN/ISSN/ISMN 9053522069
Van theemutscultuur naar walkman-ego
Contouren van postmoderne individualiteit
 
Visser
W.
Bussum : Coutinho, 2000
ISBN/ISSN/ISMN 9062831931
Verzorgings sociologie
Voor de gezondheidszorg en de hulpverlening
 
Gouws
A.
Haarlem : Stichting TMW, 1988
ISBN/ISSN/ISMN 9070839024
De droom van de mensen zelf
Een analyse van de filosofische veronderstellingen van Achterhuis.  De markt van welzijn en geluk
 
Numan
C.D.
Hogeschool Rotterdam 2007
 
Multimethodisch of Eclectisch?
Wil de laatste Mwer het licht uit doen?
 
Post
F.
Hogeschool Rotterdam 2007
 
Enige gedachten over MW
Onze beroepsopleiding en ‘mens en samenleving’
 Internet:
Mail naar het netwerk vanuit mijn vorige werkgever:
St. Rheumaverpleeghuis
 
 
Mail naar 8 verschillende docenten:
Opleiding Maatschappelijk Werk en Dienstverlening aan de Hogeschool Rotterdam
 
Sociaal Digitaal
http://www.sociaaldigitaal.nl/bloglijst.php?action=view&blog=31
 
MaatschappelijkWerk.com
 
Alle reacties op topic 1 zijn te lezen op het forum onder de link: http://maatschappelijkwerk.com/forum/viewtopic.php?t=1866
 
MaatschappelijkWerk.com
 
Alle reacties op topic 2 zijn te lezen op het forum onder de link:
http://maatschappelijkwerk.com/forum/viewtopic.php?t=1888
 
MaatschappelijkWerk.com
 
Alle reacties op topic 3 zijn te lezen op het forum onder de link:
http://www.maatschappelijkwerk.com/forum/viewtopic.php?t=1890
 


[1] De filosoof Harry Kunneman weet deze overgang te typeren als de overgang van de theemutscultuur naar het walkman – ego. 

[2] De benaming van de individualisering van de maatschappij volgens Harry Kunneman







Log boven in om te reageren. Je kunt hier een login aanmaken



© 2006 - 2018 Sociaal Digitaal. Alle rechten voorbehouden.